Mr Nakamura

Kan jij je een moment herinneren dat je het spannend vond om iets te zeggen? Een moment dat je misschien wel het liefste een beetje wegkroop in je schulp? Ikke wel. Het was ook nog in een andere taal, Engels. En laat dat Engels nu net het voortgezet onderwijs trauma van ondergetekende zijn. Rekenen lag me wel. Voor het gesproken en geschreven woord had ik minder gevoel. Laat staan het spreken en schrijven van vreemde talen.

Het was in Växjö, Zweden. Zegge begin september, als de hogescholen en universiteiten weer opstarten, toen ik daar samen met ongeveer 75 internationale studenten het introductiecollege van Business Administration volgde. Je kent het vast wel. Zo’n grote collegezaal, met uitklapbare stoeltjes en te nauwe looppaden. De éne nieuweling maakt makkelijk een spontaan praatje met de onbekende buurman of – buurvrouw, een ander duikt in de telefoonverbinding met het thuisland, en weer een ander staart onaandachtig voor zich uit. Wat je met elkaar gemeen hebt, is dat je met z’n allen wacht op wat komen gaat. De één voelt wat ongemakkelijke spanning, een ander voelt gezonde spanning, en een derde voelt niet zoveel.

Wie voelt zich geroepen?
Hoe dan ook. Mister Nakamura, een op het oog vriendelijke docent van tussen de 35-40 jaar, nam het woord. Hij was een Japanse immigrant die had gestudeerd in Zweden. En omdat hij het leven in Zweden zo aangenaam vond, was hij blijven hangen om te promoveren. Mr. Nakamura, de docent als onderzoeker. Het beeld van een kleine gespitste, bril dragende docent staat me nog steeds bij.

Na zijn inleidende woorden en het scheppen van de context van organisatiekunde, stuurde hij ons al snel de gang op. Met mensen die we tot voor kort nog nooit hadden gezien, moesten we in 30 minuten een aantal business ideeën genereren. Na afloop ging hij 3 groepjes vragen om te presenteren.

En zo geschiedde. Samen met een Spanjaard, een Chinees, een Duitser en een Amerikaan zat ik in groepje 11. We waren allen tussen de 18 jaar en 30 jaar, schat ik zo in. Naast ons waren er, verdeeld over de Universiteit, nog 15 andere groepjes van studenten die de eerste stappen naar internationale samenwerking zetten.

Zwaar ongemakkelijk ga je vervolgens aan een tafel zitten en komen de eerste gesprekken een klein beetje op gang. De meest spontane van het stel, stelt dan wat vragen en probeert iets van uit te reiken naar de groep. In zo’n kookpansituatie wil je het liefste eerst even kennis maken en met elkaar connecten op persoonlijk vlak, maar de klok tikte hier niet echt mee. De 30 minuten vlogen voorbij, zonder dat we wat inhoudelijks op papier hadden. En trouwens ook zonder de anderen te leren kennen.

Het grappige aan dit soort eerste sessies is iets wat ik nu als docent heel vaak zie gebeuren. Er komt altijd wel iets op papier. Er zijn altijd mensen die zich vroeg of laat, als de spanning en druk toeneemt, ergens ‘geroepen’ toe voelen. Als het water in de kookpan te heet wordt, moet de spanning er uit. Dit zie je dan letterlijk en figuurlijk bij het menselijke lijf ook gebeuren. In the heat of the moment wordt er dan vanzelf iets ‘geroepen’. En daarna stoom uitblazen.

Welcome back
Enfin. Terug in de grote zaal sluipt iedereen terug naar de collegebanken. En hoewel je dan de neiging hebt om weer (terug) te lopen naar de stoel die je bips al kende, besef je dan ineens dat je onderdeel bent van een groepje. Je denkt: ‘Verrek, wellicht is het toch handiger om naast elkaar te gaan zitten.’ En voordat je goed en wel neerploft, begin je ineens ook je lijf weer te voelen. Of is het toch het denken? ‘Wat als wij moeten presenteren?’, ‘Hoe groot is de kans dat ons groepje moet presenteren? of ‘Als we moeten presenteren, wie gaat dat dan doen?’ Je hoofd schudt wakker, en gelukkig voel je je lichaam toch ook nog. Niet echt gemakkelijk in zo’n veel te warme collegezaal trouwens. De zweetdruppeltjes onder de oksel voel je glijden, en de zintuigen staan op scherp. Niet bij wat komen gaat, wel bezig met het ont(v)luchten van de spanning.

“Welcome back everyone. I think we all look forward to your presentations”, zei Mr Nakamura kordaat. Met zo’n accent, waar geen speld tussen te krijgen is. Hij was nog wel zo vriendelijk tijdens de inleiding. Dit vond ik iets minder uitnodigend. En dat is dan wel het laatste wat je wil. Een docent die de spanning nog even opvoert en het wel heel serieus lijkt te nemen. Geef even een gemoedelijke glimlach op mijn gezicht. Stel de moederskindjes even gerust, of zeg dat het allemaal niet zoveel uitmaakt.

“I pick a random group number. This group presents their ideas first”, was de tweede zin.
En na een ademloze stilte in de zaal riep professor Nakamura als derde zin, nouja, zin?: “Number 11”.

En ja hoor, daar gaan we. Hoe kon het ook anders. Wat je denkt, is wat je in de toekomst creëert. En wat je voelt, is wat je in het nu realiseert. Ons groepje mag als eerste, en iedereen kijkt je dan aan alsof jij dat maar even mag doen.

Eerst probeer je dan nog wat half weg te kijken en met hoofdelijke argumenten tegen te stribbelen, maar al snel onderga je je lot. Als de gehele groep je roept, wie ben jij dan om nee te zeggen. Denken aan wat mis kan gaan is eigenlijk niet eens meer mogelijk op zo’n moment. De tijdspanne tussen de angstige blikken van de groepsleden en het eerste woord wat je zegt is misschien 60 seconden, hooguit. We zaten behoorlijk vooraan in de zaal, ergens aan de zijkant. 30, 40 seconden dus maximaal.

Wat is vaardig genoeg?
Ik kan me mijn eerste woorden nog goed herinneren: “My name is Mark, first I would like to apologize for my level of English.” Ik voelde me op dat moment een ontheemde Fries, die op dat moment krakkemikkig zijn eerste stappen in het internationale zette. Stone Kowl English. Of wat dan ook. Het brak in ieder geval de zaal, had ik het idee. Ze moesten even lachen, en ik deed mijn best om ook maar om mezelf te lachen. Wellicht was daarmee het ijs van de spanning wel gesmolten en viel het achteraf, zoals zo vaak met dit soort dingen, reuze mee.

Tuurlijk. Om ergens meesterschap in te ontwikkelen moet je veel investeren. Daar zijn boekenkasten en theorieën vol over geschreven. Energie en tijd. Leren, experimenteren, onderzoeken, dieper duiken. Op de bodem belanden. En nog dieper graven. Een zwaluw maakt nog geen zomer. Sterker nog, als je denkt dat je ergens vaardig in bent, ben je het meestal niet. Vraag dat de echte vakvrouwen en -mannen maar. En of dat nu op school, in de sport, in de muziek, op het werk, thuis of waar dan ook is. Als anderen zeggen dat je iets goed kan, zou je het werkelijke potentieel voor iets misschien kunnen ontvangen. En dan nog rest er maar 1 manier. Ploegen, harken, zaaien, de bloem verzorgen, de omgeving wieden en gezond houden. Water geven. Zonlicht bieden. Vriendelijk naar de bloem glimlachen en geduldig laten groeien.

Eerst lijkt het simpel, dan wordt het moeilijk, en vervolgens wordt het weer simpel. En dan nog. Wat is goed genoeg bij het ontwikkelen van een vaardigheid?

Vaardigheden ‘laten gaan’
Momenteel verzorg ik op onze Hogeschool een module presenteren. Onze 2e jaars studenten faciliteren in twee- of drietallen een workshop van 45 minuten voor de eigen klas. Als handreiking voor het ontwikkelen van de, onder zovelen gevreesde, presentatievaardigheden, bekijken ze willekeurige TedTalks en ervaren ze hoe het is om over een eigen gekozen onderwerp kennis, inzichten, vaardigheden en wijsheid door te geven. En dat doen we in deze periode online.

De onderwerpen gaan veelal over stress- en timemanagement, conflictmanagement, het presenteren van cijfers, teamontwikkeling, omgaan met HSP, en noem maar op. Vroeg of laat komt dan ook altijd weer het begrip faalangst voorbij. “Meneer, meneer, meneer”. “Ja, zeg maar Mark”, antwoord ik dan veelal. “Ik ben wel wat zenuwachtig en kan niet presenteren.”

En terwijl de meest dapperen dit zeggen, vluchten ze diep van binnen soms het liefste weg. Weg van de realiteit. Of verzinnen allemaal zaken om te vechten; argumenteren, praten, anderen vragen. Een enkeling bevriest, maar dat heb ik nog niet zo vaak meegemaakt. En als dat wel gebeurt, probeer ik een grapje te maken over Elsa van Frozen. Let it go, laat die vaardigheid gaan.

Het gezicht van voor je geboorte
Als je vervolgens 1-op-1 wat doorvraagt komt vaak mentale druk, prestatiedrang en perfectionisme aan bod, en hieronder voel je dan een laag van faalangst. Over de oorzaak en de oorsprong van dat falen hebben we dan vervolgens ook weer allemaal verklaringen, hersenspinsels en verdedigingsmechanismes. Been there, done that. Lijkt ook nooit over te gaan. Waar ik zelf ooit achter heb moeten komen is echter een grondige spraakverwarring rondom dit begrip, faalangst.

De essentie van faalangst gaat niet over falen. We hebben namelijk geen angst om te falen in iets wat we niet kunnen ontwikkelen, we zijn wel immens angstig om goed te zijn in iets wat we wel kunnen ontwikkelen. Het is een beetje als een vis (be)oordelen op zijn vaardigheid om in bomen te klimmen. In dat geval zal deze zijn hele leven geloven dat hij dit niet kan ontwikkelen. En hoeveel rollenspellen je ook doet om de vaardigheid te oefenen; soms moet je een lange tijd (een rol) spelen, voordat je jezelf kunt spelen.

Het stomste wat je dan ook kunt doen is jezelf verontschuldigen en schamen voor wie je ten diepste bent. Als jij je ergens (in) thuis voelt, voelt de ander zich ook thuis. En of het hier nu gaat om de omgang met je kinderen, partner, familie, buren, of in dit geval de wijze van presenteren. Het is je ware gezicht laten zien. Het is het 0-punt van voor je geboorte, waar we door onze partners, kinderen, vrienden, ouders, coaches, docenten, en onze omgeving dagelijks aan worden herinnerd.

Als je jezelf vaardig en goed genoeg vindt, vindt Mr Nakamura dat ook.

We are ONE,

Mark